In deze rubriek wordt iemand met een passie voor het Brabants voorgesteld.

 

Vroeger werd er bij ons thuis in Roosendaal geen Brabants dialect gesproken. Mijn vader kwam uit De Zeg, maar mijn moeder uit Amersfoort (hoewel haar vader uit Tilburg kwam, waar hij als wees in Huize Nazareth gewoond heeft (hij heeft nooit verteld waarom hij uit Tilburg gevlucht is…)). Ik ben dus niet in het Roosendaals opgevoed. Ook de rest van de familie sprak niet echt plat-West-Brabants. Het is een familie van social climbers en daar hoort een voor de rest van Nederland onverstaanbaar dialect natuurlijk niet bij. Behalve als mijn ooms gingen rikken, ja, dán werd er zo plat mogelijk gevloekt en gescholden.

Portretfoto Bas Jongenelen. 2026. Rechten Bas Jongenelen.
Portretfoto Bas Jongenelen. 2026. Rechten Bas Jongenelen.

Zelf spreek ik dus geen dialect, maar ik spreek wel met een soort Algemeen Beschaafd Brabants accent.

 

Toen ik in 1990 in Tilburg ging wonen, kreeg ik een informatiepakket met daarin een brief van de gemeente. ‘Welkom in de zesde stad van het land’ was de eerste zin. Nou, dacht ik, dat gaat dan vast over het inwoneraantal en niet over de afstotelijkheid van het dialect – want dan zou Tilburg wel de eerste stad van het land geweest zijn. Want Tilburgs is me toch lelijk! Zo lelijk, dat het leuk wordt. Net als de stad zelf; Tilburg is prachtig van wanstaltigheid. In Tilburg omarmen we de lelijkheid met volle overtuigingskracht.

 

Ik hou mij op mijn werk niet bezig met het hedendaagse Brabants. Ik ben literatuurhistoricus en ik bestudeer vooral 15e- en 16e-eeuwse teksten. De literatuur uit de 16e eeuw is voornamelijk Brabants, waarbij opgemerkt moet worden dat het om het hele hertogdom gaat. Dus ook Antwerpen, Brussel en Leuven horen daarbij. 

 

Dat Brabants uit de 16e eeuw vind ik erg interessant, vooral rijmende rederijkersteksten waarin veel Franse en Latijnse woorden voorkomen. Dat moet toen heel chique hebben geklonken. Nog steeds kent het Brabants Franse invloeden. Zo heet een vork een verket (une fourchette) en is meepesaant een Frans-Tilburgs woord.

 

Met een aantal van mijn studenten heb ik de roman over Tijl Uilenspiegel vertaald vanuit het 16e-eeuwse Brabants in modern Nederlands. Deze vertaling is uitgegeven met de oorspronkelijke tekst ernaast. Dus wie wil weten hoe het Brabants in de Late Middeleeuwen geklonken moet hebben, kan bij deze uitgave terecht: https://kleineuil.nl/boeken/tijl-uilenspiegel/

 

Mijn favoriete Brabantse woord is uiteraard een heel lelijk woord: knòrrie, het Tilburgse woord voor kanarie. De kanarie is een sierlijk klein geel vogeltje dat mooi kan zingen, en uiteraard hebben ze daar in het Tilburgs een ontstemd woord voor gevonden. De ontevredenheid, het chagrijn en de knorrigheid spát van het woord knòrrie af. Wat een fantastische discrepantie tussen taal en werkelijkheid – ja, dat is zo absurd dat het alleen maar in Tilburg kan.

 

Kende gullie al... is een terugkerende rubriek van de online gemeenschap Brabanders en hun Taal waarin iemand met passie voor het Brabants wordt voorgesteld. Klik hier voor meer informatie over Brabanders en hun Taal.